Columns Schrijfsels

De prehistorische ijswinkel

Eigenlijk zou ik eens moeten vloggen. Dat zou een hilarische bende worden. Een soort insert the weirdest show on earth, maar dan nog 3582340 keer erger. Ik weet zeker dat jullie (tot dan toe) nooit zoiets belachelijks hebben gezien. Stel je voor hè, zo’n soort verhaal krijg je dan: Eerst een vrij chagrijnig hoofd dat vertelt dat haar haar niet goed zit, en dat ze 1.5 uur in haar kamertje moet wachten tot ze naar huis kan. Waarom? Omdat degene met wie ze heeft afgesproken nog uit Verwegistan moet komen, en ze anders u-ren op het station zit te chillen. Tsja, dan verkiest ze toch haar kamertje boven het keiharde bankje op het station. MAAR WAT TE DOEN? Ik word altijd vrij chagrijnig van niks doen. En van niet-willend haar. Echt, first world problems, ik weet het. Vervolgens bel ik mijn mams, die ook geen idee heeft natuurlijk. Ik bedoel, met “Ga anders lekker even de stofzuiger door je kamer halen” kan ik ook geen hol. (Sorry mam, laf joe). Dus, dan maar in zelfmedelijden wegkwijnen naast mijn volgepropte koffertje. En naast al mijn afwas, want die doet zichzelf wel als ik er maar lang genoeg boos naar blijf kijken. Toch? TOCH?

Nee. Geen tijd voor zelfmedelijden. Stella gaat dus maar een ijsje halen. Want: Ze is zielig. En zielige mensen krijgen ijsjes. Goed. Op weg naar het winkeltje. Ik bestel twee bolletjes. Bloedsinaasappel (want dat werd me aangeraden) en yoghurt (want lievelings). Vervolgens komt mevrouw-digitaal erachter dat er geen pinautomaat in deze prehistorische ijswinkel te vinden valt. Fijn. Prettig. Plezant. Ik heb nooit contant, mensen. Dat weten jullie toch? Dat raakt elke Stella toch kwijt? Kan niemand daar dan even (nee, echt, heel even maar) rekening mee houden? Nee, grappig. Goed. Ik roep dus als kip zonder kop dat ik “wel even op en neer ren naar de pinautomaat om de hoek.” Ten eerste is het niet bepaald ‘om de hoek’, ten tweede voelt iedereen automatisch aan dat ik echt niet kan rennen. Gaat mis. Finaal mis. Dus de twee meiden kijken me medelevend aan en vertellen me dat ik mijn ijsje maar mee moet nemen, anders smelt ‘ie vast. Die willen zeker dat ik val MET ijs in mijn gezicht. Alsof vallen over je eigen benen als je tevergeefs charmant probeert te rennen op zich nog niet erg genoeg is. Nee hoor, die meiden waren juist lief. Dankjewel voor lieve mensen, wereld. Dus ik, braaf als ik ben, hobbel met mijn ijsje naar de pinautomaat.

Daar begint mijn volgende avontuur, want dat ding heeft niet meer variatie dan briefjes van 50,- of 100,-. Nou, ik was niet bepaald van plan om een compleet nieuwe garderobe aan te schaffen, en zoveel geld heb ik nou ook niet nodig voor de prehistorische ijswinkel. Ik besluit het pinnen dus maar niet te doen, want iets met chaoot en alles kwijtraken. Goed, wat nu? Ik moet over iets meer dan een half uur mijn trein halen, en mijn koffertje staat nog thuis. Inclusief mijn tas. Waar, dat weet ik nog, precies een twee euromunt in zit. Op naar huis dan maar. Eenmaal thuis grijp ik mijn tas en koffertje, om vervolgens, via de Middeleeuwen, weer terug te sjezen naar de prehistorie. En om daar braaf mijn ijsje te betalen, want zo ben ik.

En toen was het alsnog rennen geblazen. Want mooi niet dat ik mijn wok-haal-date in zijn uppie zal laten staan, no way. Dus daar gaat ze dan; ingepakt in een veel te warme jas, met een knot op haar hoofd en een halve hernia van een veel te zware rugzak. Onhandig strompel ik door de Haarlemmer. Het is donderdagmiddag/avond. Koopavond. Ik moet uitkijken dat ik niet over de tenen van nietsvermoedende shopverslaafden rijd met mijn Mount Everest aan was. -Want dat is wat er voornamelijk in mijn koffertje zit. Hoi mam. Laf joe again-. 

Op moment van schrijven zit ik dus in de trein. Compleet misselijk van dat ijsje, wat ik uiteindelijk als een dokwerker naar binnen heb geschoven zonder er ook maar iets van te proeven. Ik heb trouwens de trein van een kwartier eerder dan gepland gehaald. Je eigen snelloop-en-ren-skills onderschatten is ook een vak. 

Ik schrijf dit overigens ook op mijn notitie-ding, want Sprinters komen OOK uit de prehistorie en hebben geen WiFi. WAT MOET IK DAARMEE? Grapje. Ik ben verder niet internet verslaafd hoor. Nee, maar echt niet?! Goed, je moet wel compleet gestoord zijn als je een heel verhaal kan tikken over zo’n onbenullig avontuur. Wees dus maar blij dat ik dat van dat vloggen niet meende. Nu ga ik verder met mezelf zielig vinden omdat ik misselijk ben van het ijsje en daarom niet van mijn wokmaaltijd kan genieten. Doei. 

Leave a Comment

Comments (5)

  1. Zoiets zou mij dus ook kunnen overkomen! Zo heb ik ooit per ongeluk iets uit een winkel gestolen…achteraf maar teruggegaan om te betalen :’) vaak kun je er achteraf wel om lachen.